Gemeentebestuur
Gemeentebelastingen 2010 


| Gemeentebelastingen 2010 |
|
|
|
|
DIVERSE GEMEENTEBELASTINGEN VOOR HET AANSLAGJAAR 2010
Art. 1. Voor het aanslagjaar 2010, periode van 1 januari tot 31 december worden ten behoeve van de gemeente ALVERINGEM 2.250 opcentiemen geheven op de ten bate van het Gewest gevestigde onroerende voorheffing.
Art. 2. De gemeentelijke opcentiemen op de gewestbelastingen worden ingevorderd overeenkomstig de regels bepaald voor de heffing van de belastingen waarbij ze behoren. Art. 3. Deze verordening zal ingevolge de doorzendplicht aan de Heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
PERSONENBELASTING
Art. 1. Voor het aanslagjaar 2010, periode van 1 januari tot 31 december wordt er ten behoeve van de gemeente ALVERINGEM een aanvullende belasting geheven ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van dit aanslagjaar. De belasting wordt vastgesteld op 8% van het volgens artikel 466 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 berekende gedeelte van de personenbelasting die aan het rijk verschuldigd is voor hetzelfde aanslagjaar overeenkomstig de terminologie die gebruikt wordt in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.’ Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorgaande jaar, dus in 2009.
Art. 2. De gemeentelijke opcentiemen op de rijksbelastingen worden ingevorderd overeenkomstig de regels bepaald voor de heffing van de belastingen waarbij zij behoren. Art. 3. Deze verordening zal ingevolge de doorzendplicht aan de Heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
Tweede verblijven
Art. 1. Voor het aanslagjaar 2010, periode van 1 januari tot 31 december wordt er ten behoeve van de gemeente ALVERINGEM, een belasting geheven op de tweede verblijven met inbegrip van de weekendverblijven al dan niet ingeschreven in de kadastrale legger.
Art. 2. Het begrip tweede verblijf :
Een tweede verblijf is elke private woongelegenheid die voor de eigenaar of de huurder ervan niet tot hoofdverblijf dient maar die op elk ogenblik door hen voor bewoning kan worden gebruikt. Wordt geacht op ieder ogenblik over een tweede verblijf te beschikken, hij die tijdens het aanslagjaar gedurende ten minste negen maanden, die niet noodzakelijk een onafgebroken periode moeten vormen, de woning kan betrekken. Tweede verblijven zijn landhuizen, bungalows, appartementen, weekendhuisjes, optrekjes en alle andere vaste woongelegenheden, met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans en die al of niet ingeschreven zijn in de kadastrale legger.
Art. 3. Lokalen die uitsluitend bestemd zijn voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit, garages, tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens worden niet als tweede verblijf beschouwd. Op tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens is eventueel wel de belasting op het kamperen van toepassing.
Art. 4. De belasting valt ten bezware van de eigenaar van het tweede verblijf. Als eigenaar wordt beschouwd, diegene die overeenkomstig de bepalingen van het burgerlijk wetboek het eigendomsrecht over het tweede verblijf uitoefent.
Art. 5. Het jaarlijks bedrag van de belasting wordt vastgesteld op VIERHONDERD ZESENNEGENTIG EURO.
Art. 6. De belastbare elementen worden geteld door de door het gemeentebestuur daartoe speciaal aangewezen ambtenaren. De betrokkenen zijn verplicht op verzoek van het gemeentebestuur om zonder verplaatsing alle boeken en bescheiden (bvb. de eigendomsverwerving, bewijzen van ingebruikneming enz.. ) voor te leggen die noodzakelijk zijn voor de vestiging van de belasting.
Art. 7. De belasting wordt ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig het decreet van 30.05.2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art. 8. De belasting dient betaald binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Wanneer de belasting niet is betaald binnen deze termijn, worden de regels toegepast overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving ter zake.
Art. 9. De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend en worden gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Bezwaarschriften kunnen onder zelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijn worden ingediend via een duurzame drager (elektronische informatiedrager, fax of e-mail).
Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel beheerder. De ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden gestuurd.
Art. 10. Afschrift van onderhavig raadsbesluit zal ingevolge de doorzendplicht aan de Heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
LEEGSTAND VAN WONINGEN Art. 1. Er wordt voor de aanslagjaren 2010 tot en met 2013 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de woningen die gedurende minstens twee opeenvolgende jaren zijn opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister (overeenkomstig het reglement i.v.m. de opname van leegstaande gebouwen en woningen in het leegstandsregister). De definities van woningen uit artikel 1.2 van het decreet zijn toepasselijk, evenals de andere definities van artikel 1.2 van het decreet (zie bijlage A). Zolang de leegstaande woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt, is de belasting van het aanslagjaar verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt. Art. 2. § 1. De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht betreffende de leegstaande woning op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt. Ingeval er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt. § 2. Ingeval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld. Ingeval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld. § 3. De overdrager van het zakelijk recht moet de verkrijger ervan in kennis stellen dat het goed is opgenomen in het leegstandsregister. Tevens moet hij per aangetekend schrijven een kopie van de notariële akte bezorgen aan de gemeente, binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie bevat minstens de volgende gegevens: - naam en adres van de verkrijger van het zakelijk recht en zijn eigendomsaandeel, - datum van de akte, naam en standplaats van de notaris; - nauwkeurige aanduiding van de overgedragen woning Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van §1, als belastingschuldige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd. Art. 3. De belasting voor het eerste aanslagjaar bedraagt: - 1300€ voor een volledig woonhuis - 400€ voor elke overige woongelegenheid Per bijkomende nieuwe termijn van twaalf maanden dat de woning op de inventaris staat wordt de belasting vermeerderd met: - 1300€ voor een volledig woonhuis - 400€ voor elke overige woongelegenheid De maximale belasting bedraagt: - 5200€ voor een volledig woonhuis - 1600€ voor elke overige woongelegenheid Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een woning op de inventaris staat wordt herberekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende de woning. Art. 4. § 1. Van de leegstandsheffing zijn vrijgesteld: 1° de belastingplichtige die in een erkende ouderenvoorziening of in een erkende zorginstelling verblijft, of voor een langdurig verblijf werd opgenomen in een psychiatrische instelling. Een attest van verblijf in de ouderenvoorziening of instelling moet worden voorgelegd. 2° de belastingplichtige waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing; 3° de belastingplichtige die door verwerving zakelijk gerechtigde is geworden van een woning waarop leegstandsheffing is verschuldigd, is gedurende de eerste 2 heffingsjaren na de verwerving vrijgesteld van heffing; § 2. Een vrijstelling wordt verleend indien de woning : 1° gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan; 2° geen voorwerp meer kan uitmaken van een stedenbouwkundige vergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld; 3° vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging; 4° onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise in het kader van een gerechtelijke procedure; 5° gerenoveerd wordt. Een woning wordt gerenoveerd: - indien het gaat om handelingen die stedenbouwkundig gezien vergunningsplichtig zijn, een niet vervallen stedenbouwkundige vergunning kan worden voorgelegd; - indien het gaat om niet vergunningsplichtige handelingen, een renovatienota wordt voorgelegd. Een renovatienota is een gedateerde en ondertekende nota die door de administratie wordt goedgekeurd en waarin minstens is opgenomen: - een overzicht van de voorgenomen werken - een stappenplan waaruit blijkt dat binnen een periode van maximaal drie jaar een woning bewoonbaar wordt gemaakt - foto’s van de te renoveren delen van het pand De vrijstelling geldt voor een termijn van drie jaar en kan maar éénmalig aan dezelfde houder van het zakelijk recht worden toegekend. Er kan niet achtereenvolgens zowel een vrijstelling worden verkregen voor het uitvoeren van vergunningsplichtige werken als voor niet vergunningsplichtige werken. 6° het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst met het oog op renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden in de zin van artikel 18, § 2, van de Vlaamse Wooncode (zie bijlage B); 7° het voorwerp uitmaakt van een door de gemeente, het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of een sociale woonorganisatie verkregen sociaal beheersrecht, overeenkomstig artikel 90 van de Vlaamse Wooncode (zie bijlage C). 8° Indien de heffingsplichtige de leegstand laat aanhouden omwille van een vreemde oorzaak die de heffingsplichtige niet kan worden toegerekend, wordt eveneens een vrijstelling verleend. Het college van burgemeester en schepenen beslist of de reden aangegeven door de heffingsplichtige als vreemde oorzaak kan worden beschouwd. Er kan geen vrijstelling bekomen worden omwille van onverdeeldheid. Uitsluitend de in het reglement opgesomde vrijstellingen worden toegepast. Deze vrijstellingen zijn slechts tijdelijk: enkel de heffingen die tijdens de periode van vrijstelling verschuldigd zijn, moeten niet worden betaald. Ook als voor een bepaalde woning een vrijstelling geldt, dan blijft de woning op het leegstandsregister staan. § 3. Indien op het einde van de vrijstellingsperiode de woning niet uit de inventaris is geschrapt maar wel effectief aan de vrijstellingsvoorwaarden werd voldaan, dan is de zakelijk gerechtigde bij de eerstvolgende heffing een belasting verschuldigd van: 1300€ voor een volledig woonhuis - 400€ voor elke overige woongelegenheid Per bijkomende nieuwe termijn van twaalf maanden dat de woning op de inventaris staat wordt de belasting vermeerderd met: - 1300€ voor een volledig woonhuis - 400€ voor elke overige woongelegenheid § 4. Als tijdens de vrijstellingsperiode blijkt dat niet aan de vrijstellingsvoorwaarden wordt voldaan, kan de gemeente ambtshalve de vrijstelling ongedaan maken. De zakelijk gerechtigden zullen van deze beslissing per beveiligde zending op de hoogte worden gesteld. Bij de berekening van de daarop volgende heffingen worden ook de perioden van vrijstelling meegeteld. § 5. Alle door het gewest toegekende vrijstellingen en schorsingen worden ongedaan gemaakt. Art. 5. De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. Het kohier wordt één maal per jaar opgemaakt. Art. 6. De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet. Art. 7. De belastingplichtige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen. Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn. Deze indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding afgegeven, binnen vijftien dagen na de indiening ervan. Art. 8. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, zijn de bepalingen van titel VII (Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1, 3, 4 ,6 tot en met 9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek van toepassing voor zover niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen. Art. 9. Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.
NIET- BEBOUWDE PERCELEN IN EEN NIET VERVALLEN VERKAVELING
Art. 1. Er wordt voor de aanslagjaren 2011 tot en met 2013 een jaarlijkse gemeentelijke activeringsheffing gevestigd op de niet-bebouwde percelen in een niet vervallen verkaveling. Als niet-bebouwde grond wordt beschouwd, elk perceel waarop de oprichting van een voor bewoning bestemd gebouw niet is aangevat op 1 januari van het heffingsjaar. Art. 2. De heffing slaat op de eigendom en is verschuldigd door diegene die eigenaar is op 1 januari van het heffingsjaar. In geval van recht van opstal of van recht van erfpacht is de heffing verschuldigd door de opstalhouder of de erfpachter, terwijl de eigenaar hoofdelijk mede de heffing verschuldigd is. Wanneer sommige mede-eigenaars van de heffing vrijgesteld zijn, terwijl zulks niet het geval is voor andere mede-eigenaars, dan mag de heffing slechts gevorderd worden van de niet vrijgestelde mede-eigenaars in verhouding tot hun deel in het perceel. In geval van overdracht van eigendom is de nieuwe eigenaar de heffing verschuldigd met ingang op 1 januari die volgt op de datum waarop de overdracht van rechten onder partijen heeft plaats gehad. Art. 3. Het bedrag van de heffing wordt bij een eerste aanslag vastgesteld op 5,00 euro per vierkante meter van het belastbare perceel. Bij elke daaropvolgende aanslag voor dezelfde grond wordt de heffing met 10% verhoogd. Elk gedeelte van een vierkante meter wordt als een volledige vierkante meter beschouwd. Art. 4. Met betrekking tot de percelen gelegen in verkavelingen waarvoor voor de eerste keer een verkavelingsvergunning wordt afgegeven, is de houder van die vergunning gedurende drie jaar van de heffing vrijgesteld: a) vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op afgifte van de vergunning, wanneer de verkavelingsvergunning geen werken omvat b) vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van het attest bedoeld in artikel 101 § 3 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wanneer de verkavelingsvergunning werken omvat. Art. 5. Van de heffing zijn vrijgesteld: a) de natuurlijke personen die eigenaar geworden zijn van één onbebouwde kavel in een niet vervallen verkaveling. b) de natuurlijke personen die eigenaar zijn van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed in België of in het buitenland. Deze vrijstelling vervalt met ingang van 1 januari volgend op de verwerving van een tweede onroerend goed. c) de ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één onbebouwd perceel of één onbebouwde grond per kind ten laste d) maximum één onbebouwde kavel, aanpalend aan de woning van de ouders, met een zoon of dochter met een handicap, definitief erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, met als doel de mogelijkheden te bieden om een aangepaste en zelfstandige woonformule te realiseren. De aard en de ernst van de handicap, door een erkende instantie bekrachtigd, maken begeleiding bij het wonen, zowel op psychosociaal vlak als bij de organisatie van dagdagelijkse activiteiten onontbeerlijk om hun vermogen tot zelfstandig wonen te realiseren. e) de Vlaamse huisvestingsmaatschappijen en de door de Vlaamse huisvestingsmaatschappijen erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, alsook de intercommunales. De vrijstelling onder a) geldt slechts gedurende de 3 jaar die volgt op de verwerving van het goed. De vrijstellingen onder b) en c) gelden slechts gedurende de vijf aanslagjaren, die volgen op de verwerving van het goed of gedurende de vijf aanslagjaren die volgen op de eerste heffing van onderhavige heffing indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. Zowel wat betreft de vaststelling van de heffingsschuld als voor de vrijstelling onder paragraaf b) hierboven, dient opgemerkt dat samengevoegde percelen, ongeacht het tijdstip waarop ze in eigendom verkregen werden, elk hun eigen statuut van afzonderlijke kavels bewaren zolang de bevoegde overheid geen toelating wordt gegeven tot samenvoeging. Dergelijke toelating komt enkel tot stand hetzij door een verkavelingswijziging overeenkomstig artikel 57 §2 van de wet van 29 maart 1962, gewijzigd bij de wet van 22 december 1970, hetzij door een afwijking conform artikel 51 van dezelfde wet. Art. 6. De activeringsheffing wordt niet geheven op percelen die voldoen aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° ze behoren toe aan dezelfde eigenaar als deze van de aanpalende bebouwde bouwgrond of kavel;
2° deze vrijstelling is beperkt tot één aanpalend perceel per eigenaar.
3° beide percelen moeten eigendom zijn van dezelfde eigenaar op het ogenblik van de goedkeuring van onderhavige activeringsheffing. Art. 7. Als bebouwde grond wordt beschouwd, de grond waarop ingevolge een verleende stedenbouwkundige vergunning, de oprichting van een voor woning bestemd gebouw is aangevat op1 januari van het heffingsjaar. Art. 8. Indien een bouwvergunning vijf jaar na het verlenen van de vergunning niet geresulteerd heeft in een afgewerkte woning, wordt deze heffing geheven op het perceel ongeacht het verkrijgen van een nieuwe bouwvergunning en dit tot het voltooien van een eventuele woning. Art. 9. De heffingsplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier die hij verplicht dient terug te sturen binnen de dertig dagen. De overtredingen op de aangifteverplichting worden vastgesteld door speciaal daartoe beëdigde en aangewezen ambtenaren. Art. 10. Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de heffingsplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de heffing, betekent het college aan de heffingsplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de heffing. De heffingsplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. Art. 11. De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde heffing wordt verhoogd met een bedrag, gelijk aan één vierde van de verschuldigde heffing, indien de heffingsplichtige een eerste maal verzuimt aan de aangifteplicht, met de helft, indien de heffingsplichtige voor een tweede of volgende keer verzuimt aan de aangifteplicht. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd. Art. 12. De verkoper van een perceel bouwgrond is verplicht binnen de twee maanden na het verlijden van de notariële akte, bij ter post aangetekende brief aan het gemeentebestuur, dienst secretariaat, mee te delen: a) volledige identiteit en adres van de nieuwe eigenaar b) datum van de akte en naam van de notaris c) nauwkeurige aanduiding van het verkochte perceel Wanneer de verkoper hieraan verzuimt, kan de verkoper verder aangeslagen worden voor deze heffing. Art. 13. De heffing neemt een einde wanneer uiterlijk op 1 januari van het heffingsjaar de werken tot het bouwen van een tot woning bestemd gebouw, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd, zijn aangevangen. De aanvangsdatum van de werken dient tijdig en vooraf bij aangetekend schrijven aan het gemeentebestuur worden medegedeeld. Art.14. De heffing wordt ingevorderd overeenkomstig de regelen betreffende de invordering inzake rijksbelasting op de inkomsten bij middel van een kohier volgens het decreet van 30.05.2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. Art. 15. De heffing dient betaald binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Wanneer de heffing niet is betaald binnen deze termijn, worden de regels toegepast overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving ter zake. Art. 16. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet , zijn de bepalingen van titel VII(vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 6 (aanslagtermijnen), 7 tot en met 9 (rechtsmiddelen, invordering van de belasting waaronder de nalatigheids- en moratoriumintresten; rechten en voorrechten van de schatkist, strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de art. 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek (betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing, voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen. Art. 17. De heffingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze heffing bij het college van burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend en worden gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Bezwaarschriften kunnen onder zelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijn worden ingediend via een duurzame drager (elektronische informatiedrager, fax of e-mail). Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de heffingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel beheerder. De ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden gestuurd. Art.18. Afschrift van onderhavig raadsbesluit zal ingevolge de doorzendplicht aan de Heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt. ALGEMENE MILIEUBELASTING
Art. 1. Voor het aanslagjaar 2010, periode van 1 januari tot 31 december, wordt er ten behoeve van de gemeente ALVERINGEM, een algemene milieubelasting geheven.
Art. 2. De algemene milieubelasting valt ten laste van ieder gezin dat op 1 januari van het aanslagjaar als zodanig ingeschreven is in de bevolkingsregisters van de gemeente Alveringem.
Art. 3. Onder gezin wordt verstaan :
- hetzij een persoon die gewoonlijk alleen leeft, - hetzij een vereniging van twee of meer personen die, al dan niet door familiebanden gebonden, gewoonlijk eenzelfde woning of woongelegenheid betrekken en er samenleven. Art. 4. De belasting wordt gevestigd ten laste van een gezinsverantwoordelijke, d.w.z. ten laste van één van de gezinsleden ouder dan achttien jaar, dat in het gezin zijn eigen belangen en desgevallend die van de medegezinsleden behartigt en zich als dusdanig tegenover derden kenbaar gemaakt heeft, als dusdanig optreedt of als dusdanig gekend is.
Art. 5. Het bedrag van de belasting wordt per woning en/of woongedeelte vastgesteld op 110 € per jaar. Voor de inwoners die op 1 januari van het aanslagjaar van een verhoogde tegemoetkoming via het RIZIV genieten is de helft van dit bedrag verschuldigd. Het bestuur staat zelf in voor de aanvraag voor toegang tot de gegevens van de rechthebbenden op een verhoogde tegemoetkoming bij de bevoegde diensten op basis van de hoedanigheidscodes titularis 001, 002, 003, 004, 005 en 100 en de hoedanigheidscodes persoon ten laste 011, 012, 013, 014 en 015.
Art. 6. De belasting wordt ingevorderd overeenkomstig de regelen betreffende de invordering inzake rijksbelasting op de inkomsten bij middel van een kohier volgens het decreet van 30.05.2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art. 7. De belasting dient betaald binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Wanneer de belasting niet is betaald binnen deze termijn, worden de regels toegepast overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving ter zake.
Art. 8. De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend en worden gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Bezwaarschriften kunnen onder zelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijn worden ingediend via een duurzame drager (elektronische informatiedrager, fax of e-mail). Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel beheerder. De ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden gestuurd. Art. 9. Afschrift van onderhavig raadsbesluit zal ingevolge de doorzendplicht aan de Heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
BELASTINGEN OP TABAKSZAKEN
Art. 1. Er wordt voor het aanslagjaar 2010, periode van 1 januari tot en met 31 december, een belasting geheven op de tabakszaken die al dan niet doorlopend geopend zijn tussen 21 en 7 uur.
Art. 2. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of de rechtspersoon, die de zaak uitbaat. Art. 3. De belasting wordt vastgelegd op 2.500 € per jaar en per inrichting in de gemeente gevestigd tijdens het belastingsjaar. Art. 4. De belasting wordt ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig het decreet van 30.05.2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. Art. 5. De belasting dient betaald binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Wanneer de belasting niet is betaald binnen deze termijn, worden de regels toegepast overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving ter zake. Art. 6. De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend en worden gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Bezwaarschriften kunnen onder zelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijn worden ingediend via een duurzame drager (elektronische informatiedrager, fax of e-mail).
Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel beheerder. De ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden gestuurd. Art. 7. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet , zijn de bepalingen van titel VII(vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 6 (aanslagtermijnen), 7 tot en met 9 (rechtsmiddelen, invordering van de belasting waaronder de nalatigheids- en moratoriumintresten; rechten en voorrechten van de schatkist, strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de art. 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek (betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing, voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen. Art. 8. Afschrift van onderhavig raadsbesluit zal ingevolge de doorzendplicht aan de Heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
OPHALING VAN GROF HUISVUIL
Art. 1. Voor het aanslagjaar 2010 wordt er ten behoeve van de gemeente ALVERINGEM, een belasting geheven voor de ophaling van grof huisvuil.
Art. 2. Het grof huisvuil dient geplaatst te worden op de stoep voor de woning, zonder hinder voor het verkeer. Art. 3. De belasting wordt vastgesteld op 18,60 €./m³ grof huisvuil, met een minimum van 18,60 € en iedere begonnen m³ te betalen. Art. 4. De belasting wordt contant betaald tegen afgifte van een betalingsbewijs.
Art. 5. Bij gebreke van betaling wordt de belasting ingekohierd en wordt een kohierbelasting overeenkomstig het decreet van 30.05.2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art. 6. De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend en worden gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat vanaf de datum van de contante inning. Bezwaarschriften kunnen onder zelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijn worden ingediend via een duurzame drager (elektronische informatiedrager, fax of e-mail). Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel beheerder. De ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden gestuurd.
Art.7. Afschrift van dit besluit zal ingevolge de doorzendplicht aan de heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
RETRIBUTIE OP DE INZAMELING VAN RESTAFVAL EN GFT-AFVAL Art. 1. Er wordt een retributie gevestigd op de volgende ingezamelde fracties huishoudelijk afval van huishoudelijke en vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong via een huis-aan-huisinzameling :
Deze retributie wordt ingesteld met ingang van 01 januari 2009 en geldt voor de duur van 1 jaar. Art. 2. Het bedrag van de retributie wordt vastgesteld als volgt :
Art. 3. De retributie voor huishoudelijk restafval en de gemengde fractie van vergelijkbaar bedrijfsafval en de retributie voor GFT-afval en organisch-biologisch vergelijkbaar bedrijfsafval is verschuldigd door iedereen die gebruik maakt van de gemeentelijke huis-aan-huisinzameling. Art. 4. De personen die gebruik maken van de door de gemeente voorgeschreven containers voor de inzameling van huishoudelijk restafval en GFT-afval zijn de retributie verschuldigd op het ogenblik dat het gewicht van het meegegeven afval door de ophaalwagen wordt geregistreerd. Het gewicht wordt bepaald als het gewichtsverschil van de container vóór en na het ledigen. Art. 5. Iedere gebruiker van een container (40, 120 of 240 liter of combinatie) betaalt vooraf 25 EUR door middel van een overschrijving op rekeningnummer van het gemeentebestuur. Hiertoe zal een betalingsuitnodiging verstuurd worden. Bij elke ophaalbeurt zal de retributie, zoals bepaald in artikel 2, afgetrokken worden van het vooraf betaald bedrag. Zodra het nog beschikbare bedrag lager is dan 10 EUR wordt door de intercommunale I.V.V.O. een nieuwe betalingsuitnodiging gestuurd. De containers worden geledigd zolang het nog beschikbare bedrag voor de ophaling positief is. Bij afmelding (verhuis, overlijden, ...) wordt de diftardienst gesloten en wordt het nog beschikbare bedrag door de financieel beheerder van de gemeente teruggestort op het rekening nummer van de begunstigde. Art. 6. Bovenop het bedrag in de eerste betalingsuitnodiging vermeld zal een waarborg ten bedrage van 25 EUR voor de voorschreven huis-aan-huisophaling aangerekend worden. Deze waarborg is onafhankelijk van het volume van de container(s) en beperkt tot 2 containers. Bij afmelding wordt de waarborg teruggestort. Indien beide containers leeg en schoongemaakt en in goede staat ingeleverd worden zal de waarborg worden teruggestort. Art. 7. Elke container kan op eenvoudige aanvraag van de gebruiker uitgerust worden met een kantelslot. Dit kantelslot wordt door de intercommunale I.V.V.O. verhuurd aan 5 EUR per slot en per jaar. De huurkost wordt gedurende vijf jaar aangerekend en vervalt vanaf het zesde jaar na plaatsing. Art. 8. Personen die geen gebruik wensen te maken van de GFT-container omwille van het feit dat zij reeds thuis composteren of laten verwerken door neerhofdieren, kunnen afzien van het gebruik van de GFT-container. Art. 9. Bij niet-betaling in der minne zal de invordering geschieden overeenkomstig de burgerlijke rechtspleging. GEMEENTEBELASTING OP AFGIFTE VAN ADMINISTRATIEVE STUKKEN EN OP ADMINISTRATIEVE VERRICHTINGEN EN EEN RETRIBUTIE VOOR HET AFLEVEREN VAN AKTEN VAN STAMBOOMOPZOEKINGEN VOOR EEN TERMIJN EINDIGEND OP 31.12.2012.
Art. 1. De belasting op de afgifte van administratieve stukken, ten laste van de personen of instellingen aan wie deze stukken op verzoek of ambtshalve door de gemeente worden uitgereikt, worden vastgesteld als volgt: A. Op de elektronische vreemdelingenkaart, zonder onderscheid of het een eerste aflevering of een duplicaat betreft, bedrag te voegen bij de gewone kosten van de kaart : € 2
B. Op de nieuwe identiteitskaarten uitgereikt aan de inwoners vanaf de leeftijd van 13 jaar, bedrag te voegen bij de gewone kosten van de kaart : € 2
C. Op paspoorten voor het buitenland :
1. minderjarigen kosteloos 2. volwassenen nieuw paspoort: 7,50 € verlenging: 5 € D. voor het verstrekken van de door notarissen gevraagde uitgebreide inlichtingen omtrent stedenbouwkundige voorschriften, eigendomstoestanden onroerende goederen, bodemsaneringsdecreet, enz… : 50 €
Art. 2. Deze belasting wordt contant geïnd op het ogenblik van de afgifte van het belastbare stuk of het uitvoeren van de administratieve verrichting tegen afgifte van een betalingsbewijs. Dit bestaat uit het aanbrengen van een kleefzegel waarop het belastingsbedrag is vermeld. Voor de nieuwe identiteitskaarten blijkt de betaling uit de afstempeling “Voldaan” op het linkerluik van de oproepingsbrief overeenkomstig de bepalingen van het informatiedossier betreffende de procedure tot vernieuwing van de identiteitskaarten uitgereikt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Openbaar Ambt.
Art. 3. Wanneer de contante inning niet kan worden uitgevoerd, wordt de belasting ingekohierd overeenkomstig de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen en is ze onmiddellijk eisbaar.
Art. 4. De bezwaren dienen, op straffe van verval schriftelijk en gemotiveerd ingediend te worden bij het College van Burgemeester en Schepenen, binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de inning van de belasting.
Art. 5. Zijn van de belasting vrijgesteld :
a. de stukken welke krachtens een wet, besluit of verordening kosteloos door de gemeente dienen afgeleverd te worden. b. de stukken afgeleverd aan personen wier behoeftigheid is vastgesteld door een overtuigend bewijsstuk. c. de stukken afgeleverd aan gerechtelijke overheden, openbare of daarmee gelijkgestelde besturen en aan instellingen van openbaar nut. d. de uittreksels uit de registers en de getuigschriften afgeleverd aan eenieder die verklaart dat ze dienen om te worden voorgelegd om een tewerkstelling te bekomen, te kunnen solliciteren of aan examens of proeven deel te nemen met het oog op eventuele aanwerving, zoals bepaald en toegelicht in art. 59/1, 6Ebis van het wetboek der zegelrechten en de verklarende aanschrijving nr. 15 dd. 29.11.1985 van het Ministerie van financiën - Administratie der belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen - sector registratie.
Art. 6. De belasting is niet toepasselijk op de afgifte van stukken welke reeds krachtens een wet, besluit of verordening aan de betaling van een recht ten behoeve van de gemeente onderworpen zijn, met uitzondering van de rechten welke aan de gemeente ambtshalve toekomen voor het afleveren van paspoorten.
Art. 7. Alle verzendingskosten van stukken aangevraagd door particulieren of privé-instellingen, ook wanneer de afgifte van het stuk kosteloos is, zullen door deze particulieren of privé-instellingen moeten terugbetaald worden.
Art. 8. Voor het afleveren van copies van akten gebruikt voor stamboomopzoekingen wordt een retributie vastgesteld van 0,50 €, contant te betalen bij aflevering van de betreffende documenten.
Art. 9. Dit besluit gaat in per 01.01.2010 en blijft van kracht voor de lopende bestuursperiode, eindigend op 31.12.2012.
Art. 10. Afschrift van onderhavig besluit zal ingevolge de doorzendplicht aan de heer Gouverneur der Provincie worden overgemaakt.
GEMEENTEBELASTING OP DE AANVRAGEN OM EEN MILIEUVERGUNNING VOOR EEN TERMIJN EINDIGEND OP 31.12.2012 Art. 1. Er wordt voor met ingang van 26.04.2007 en voor een termijn eindigend op 31.12.2012 een gemeentebelasting gevestigd op : a. de aanvragen om een milieuvergunning in toepassing van Art. 5 van het VLAREM
b. de aanvragen om een tijdelijke vergunning in toepassing van art. 6 §1, 2°,d van het VLAREM. Art. 2. De belasting wordt als volgt vastgesteld : -voor de inrichtingen gerangschikt in klasse I in bijlage I van het VLAREM : €300,00
-voor de inrichtingen gerangschikt in klasse II in bijlage I van het VLAREM : €100,00 Art. 3. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of de rechtspersoon die de aanvraag doet. Zijn van de belasting vrijgesteld : - inrichtingen geëxploiteerd door beschuttende werkplaatsen - inrichtingen bedoeld in art. I,8E van het Vlarem (tijdelijke inrichtingen) - het houden van bijenvolken; - opvang- en verzorgingscentra voor gekwetste en verzwakte vogels. Art. 4. De belasting moet bij de aanvraag om een milieuvergunning kontant worden betaald tegen afgifte van een kwitantiebewijs. Bij gebrek aan kontante betaling wordt de belasting van ambtswege ingekohierd en is ze onmiddellijk eisbaar. Art. 5. De belastingplichtige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier. Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven. |
| Agenda is leeg |
Gemeente Alveringem
Sint-Rijkersstraat 19